Deselectie (het niet bewaren van archeologische vondsten) vindt slechts op beperkte schaal plaats en voornamelijk in situaties waar sprake is van een duidelijke noodzaak. Daarom is bijzondere inzet op handhaving niet nodig. Ook is het de vraag of een voorgenomen wettelijke regeling voor deselectie nodig is. Dat concludeert de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed na onderzoek naar deselectie in de praktijk. In haar onderzoek, dat vandaag aan de Tweede Kamer is aangeboden, pleit de Inspectie er wel voor om informatie over de vondsten die worden verwijderd zo goed mogelijk vast te leggen, zodat alsnog nader onderzoek kan worden gedaan.
Discrepantie tussen wet en praktijk
Volgens de Erfgoedwet moeten alle vondsten uit archeologische opgravingen worden bewaard, zonder onderscheid naar type vondst, materiaalsoort of onderzoekswaarde. Dat betekent dat elke houtskoolsnipper, dakpanscherf en ander fragment bewaard moet worden. Ook het aantal doet er niet toe: of er nu twee of tweeduizend soortgelijke stukken worden gevonden, alles verdient volgens de wet een plek in het depot. In de praktijk werkt dit anders. Sinds jaar en dag worden archeologische vondsten tijdens of na opgravingen geselecteerd, achtergelaten in het veld, of later weggegooid. Deze zogenoemde deselectie vindt op verschillende momenten in het archeologische werkproces plaats, ook al is dit strikt genomen niet in lijn met de wettelijke regels.
Beeld: © RCE / Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
Metaalvondst in het veld
Bij de evaluatie van de Erfgoedwet is deze spanning tussen wet en praktijk door meerdere partijen, waaronder de Inspectie, naar voren gebracht. Voor de minister van OCW vormde dit aanleiding om zich te beraden op een mogelijke aanpassing van de wet. Voor de Inspectie was het reden om een inventariserend onderzoek uit te voeren naar de aard en omvang van deselectie in de archeologische praktijk. Daarbij stond de vraag centraal of de wet ruimte zou moeten bieden voor het niet bewaren van alle vondsten, of dat juist moet worden ingezet op een striktere naleving van de bestaande wettelijke bepalingen.
Deselectie vindt beperkt plaats
Afgezet tegen de totale vondstverzameling vindt deselectie in de praktijk beperkt plaats. Het gaat meestal om situaties waarin sprake is van een duidelijke noodzaak, zoals gezondheidsrisico’s, sterk vergaan materiaal of zeer omvangrijke hoeveelheden stedelijk vondstmateriaal.
De Inspectie beveelt de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan zorgvuldig te wegen of een wetswijziging noodzakelijk is. De huidige regelgeving heeft vooralsnog het gewenste effect: vondsten worden niet of in elk geval zo min mogelijk achtergelaten in het veld of verwijderd uit het depot. Certificaathouders en depotbeheerders zijn doordrongen van het feit dat de wet voorschrijft dat vondsten behouden moeten worden. Hoewel bij de Inspectie aanvankelijk het idee bestond dat de wet en de praktijk (meer) met elkaar in overeenstemming gebracht dienden te worden, is dit bij nader inzien dus voorbarig. Een wetswijziging kan ongewenste neveneffecten met zich mee brengen, een uitzondering kan immers in ook tot vragen en onduidelijkheden in de praktijk leiden.
Betere documentatie
Wel is het van belang dat vondsten die worden verwijderd zorgvuldig en uitgebreid worden gedocumenteerd, gedetermineerd en waar mogelijk bemonsterd, zodat later nader onderzoek mogelijk is. Bijvoorbeeld door de te verwijderen vondsten te fotograferen. Deze aanbeveling geldt zowel voor certificaathouders als voor depots.