De Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed heeft bij een gezamenlijke archeologische opgraving door de Vrije Universiteit Amsterdam en de Universiteit van Amsterdam vastgesteld dat zij voldoen aan de voorwaarden om zonder certificaat te mogen opgraven. Wel moeten de onderwijsinstellingen hun werkwijze aanpassen. In de uitvoering van het veldwerk worden namelijk niet alle handelingen uitgevoerd door bevoegde personen.

Booronderzoek door studenten bij de opgraving in Veldhoven

Opgravingsverbod

Archeologische vondsten kunnen maar één keer opgegraven worden en grondsporen maar één keer onderzocht; daarna zijn ze weg. Daarom moet dit zorgvuldig gebeuren en mag niet iedereen zomaar opgraven en archeologisch onderzoek doen. Alleen instellingen in het bezit van een certificaat mogen archeologische opgravingen doen. Universiteiten en hogescholen vormen hierop een uitzondering en mogen opgraven zonder certificaat in het kader van het onderwijs dat ze geven. Daarbij moeten ze wel voldoen aan de wettelijke verplichtingen en normen, zoals de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). Deze norm beschrijft de inhoudelijke en vaktechnische eisen die worden gesteld aan archeologisch onderzoek.

Opgraving onderdeel van opleiding

Uit onderzoek van de Inspectie blijkt dat beide universiteiten voldoen aan de voorwaarden om zonder certificaat te mogen graven. De opgraving heeft geen commercieel karakter en is onderdeel van het onderwijsprogramma. Studenten leren veldwerktechnieken en doen wetenschappelijk onderzoek, bijvoorbeeld in de vorm van sedimentanalyses naar sporen.

De juiste bevoegdheid

De uitvoering van het werk gebeurt echter niet volledig zoals het hoort, omdat niet alle handelingen worden gedaan door bevoegde personen. In de archeologie wordt gewerkt met een zogenaamde actorstatus. Deze status is gekoppeld aan iemands opleiding, ervaring en verantwoordelijkheid, en bepaalt bijvoorbeeld wie controles mag uitvoeren en wie eindverantwoordelijk is in het veld. Bij de onderzochte opgraving is het plan van aanpak opgesteld door iemand zonder de juiste actorstatus. Hetzelfde geldt voor de dagrapporten en voor de controles in het veld.

De Inspectie beveelt aan dat de universiteiten ervoor zorgen dat de betrokken docenten altijd over de juiste actorstatus (blijven) beschikken. Dat kan bijvoorbeeld door genoeg veldwerk te doen, te publiceren of door bijscholing.

Positief

Positief is de Inspectie over de tussentijdse conservering van vondsten. Bij conservering wordt een vondst behandeld zodat deze goed bewaard blijft voor de toekomst. Onderwijsinstellingen moeten binnen twee jaar na afronding van hun veldwerk een rapport opstellen met resultaten van hun onderzoek, de vondsten conserveren en het geheel aan een depot overdragen. De opgraving die de Inspectie bezocht duurt elf jaar en loopt tot 2028. De vondsten hoeven strikt genomen nog niet geconserveerd te worden, maar een mogelijk gevolg is wel dat de allereerste vondsten (bijvoorbeeld uit 2017) jarenlang onbehandeld op de plank kunnen liggen. De Inspectie juicht het daarom toe dat de metaalvondsten ieder jaar worden geconserveerd. Ook een vrijwillige tussenrapportage helpt om de informatie over het gebied actueel te houden. De Inspectie adviseert de universiteiten daarbij wel om een dergelijke rapportage in Archis op te nemen, zodat de informatie ook voor andere partijen toegankelijk wordt.